Robert Slijfer ...van alles en nog wat...

Korte Verhalen

De Zon Kwam Op

Het was een zwoele ochtend, het liep zelfs langzaam tegen de middag aan, toen ik langzaam en zwetend uit mijn vreemde en onrustige droom ontwaakte. De donkerblauwe gordijnen, die eigenlijk al lang aan vervanging toe zijn, sloten niet geheel tegen elkaar aan en door een kleine kier kwam de zon stiekem naar binnen gluren. Met mijn handen voor het gezicht en mijn ogen half dichtgeknepen probeerde ik enigszins het felle licht tegen te houden, ik was er nog niet aan toe om wakker te worden en gelijktijdig  probeerde ik me langzaam te oriënteren waar ik  eigenlijk was.


De nacht was blijkbaar iets – denk eerder behoorlijk –  heftiger geworden dan ik eigenlijk verwacht en vooral gehoopt had. Ik besefte gelukkig al vrij snel dat ik in mijn eigen bed lag, ik had blijkbaar behoorlijk liggen woelen want geen enkel onderdeel van het beddengoed lag nog zoals ik het de morgen ervoor had achter gelaten. Nog steeds een beetje gedesoriënteerd ging ik rechtop zitten en ondernam een eerste poging om uit het bed te stappen.  Mij kennende ging deze onderneming beslist mislukken, het zou niet de eerste keer zijn dat ik me weer achterover liet vallen om vervolgens weer snel in dromenland terecht te komen. “Hup opstaan!” mompelde ik nog hardop, in de hoop dat mijn lichaam nog naar mij zou luisteren, maar iets in mij vertelde mij toch wat anders. Helaas was mijn lichaam op dat moment sterker dan mijn eigen geest en ik liet mij terug in het bed vallen, met de veronderstelling dat ik onderweg een zachte kussen zou tegenkomen. Met een flinke pijnscheut, een knal en luid geschreeuw schoot ik weer voorover. Ik was zojuist met mijn hoofd tegen de rand van het houten bed geland en mijnhoofd werd vervolgens weer de ruimte in geprojecteerd. Het is niet zo’n duur bed met afgeronde hoeken en randen, nee, deze had ik ooit in een aanbieding gekocht en had juist scherpe hoeken en randen. Met mijn handen strak tegen mijn achterhoofd gedrukt, wachtend tot de pijn wegnam, bleef ik enige tijd voorover gebukt zitten en produceerde een of ander kreunend geluid. Dat ik opeens klaar wakker was mag duidelijk zijn. Had het toch zijn voordelen.


Langzaam stapte ik uiteindelijk uit mijn bed, pakte de bril van het nachtkastje en begon met mijn wekelijkse zondags ritueel. Op mijn gemak liep ik met blote voeten naar de keuken en probeerde tegelijkertijd te herinneren wat ik die avond ervoor allemaal had gedaan en vooral wat ik allemaal gezegd had – met andere woorden – welke blunder was ik nu weer begaan die ik me nu absoluut niet meer kon herinneren. Ik kon er niet opkomen en vreesde dan ook dat bij het eerstvolgende samenkomen met mijn vrienden er weer behoorlijk word afgelachen. Meteen rechts in de keuken, boven op de koelkast, lag mijn pakje sigaretten en pakte er meteen eentje uit. Gelijktijdig met het aansteken van mijn eerste sigaret zette ik de Senseo aan, koffie was zeker een must om de dag mee te beginnen. Ik trok de gordijnen in de keuken open en liep terug naar de Senseo om het kopje koffie onder het apparaat uit te halen. Ondanks dat ik net, maar niet geheel, wakker was, ontsnapte het niet aan mijn aandacht dat deze sigaret eveneens de laatste was die ik in huis had en die laatste had ik inmiddels al half opgerookt. Op het moment dat ik eindelijk rustig, met mijn koffie, op de bank ging zitten, om verder wakker te worden, drukte ik deze laatste sigaret al weer uit. Genieten van de koffie kon ik niet meer en heb hem vervolgens niet meer aangeraakt die ochtend. Ik kon alleen nog maar denken aan sigaretten. Eigenlijk van de zotte. Inmiddels zwaar geïrriteerd stond ik van de bank op en liep al vloekend naar de badkamer om snel een washandje door mijn gezicht te halen. In de spiegel zag ik een langzaam ouder wordende man die te snel grijs werd. Ik zou mijn haren kunnen verven maar ik vind dat dit niet aan mannen uit besteed is. De inmiddels flinke baardgroei liet ik voor wat het was. Allemaal zonde van de tijd en wat maakt het uit als je nu een baard van vier of vijf dagen hebt, geen hond die het verschil bij mij zou zien. Inmiddels tierend en vloekend was ik in de slaapkamer aangeland en schoot snel in mijn kleren en schoenen. Was ik de avond ervoor zo ver heen dat ik nog niet eens gemerkt had dat ik door mijn sigaretten heen was?
Zwaar gefrustreerd liep ik, terwijl ik mijn jas aantrok, mijn voordeur uit. Hijgend kwam ik, na vijf trappen afgerend te zijn, beneden aan en liep meteen door naar mijn berghok om de fiets te pakken. Ondertussen voelde ik in alle jaszakken of er misschien toch nog een verdwaald pakje sigaretten te vinden zou zijn en bedacht me waar ik nieuwe sigaretten kon kopen. In de veels te smalle, zeer slecht verlichte, gang manoeuvreerde ik bijna met grof geweld mijn fiets uit de overvolle berghok. Mijn fiets paste net nog bij de rommel van de vorige verhuizing die ik daar nog had laten staan en ik nog steeds moest uitzoeken. De volgende obstakel was de klapdeur naar de hal, die een te strakke deurdranger had. Met de rechterhand proberen ik de fiets onder controle te houden terwijl ik met de linkerhand de robuuste en vreselijke zware duur probeerde open te krijgen, gelijktijdig moest ik de fiets, en mezelf, zonder kleerscheuren of schaafwonden door de deur zien te krijgen. Uiteindelijk bij de brievenbussen aangekomen dacht ik “Zal er post zijn?” maar gelijktijdig bedacht ik me dat ik al veel te lang naar een tweede sigaret zat te smakken, de afkickverschijnselen begonnen langzaam al. Ik liet de post maar voor wat hij was, achteraf ook zonde van de verloren energie want het was zondag. Aangezien ik een nee-nee sticker op de brievenbus had geplakt zat er achteraf nog niet eens reclame in. “Het station” was het eerste wat in mij opkwam nadat ik de tweede barrière doorstaan had, de voordeur eveneens met een veel te zwaar afgestelde deurdranger.
Ik moest toch langzaam serieus gaan denken om te stoppen met roken. Het is toch belachelijk dat je, op je zuur verdiende vrije zondag, zo je dag moet beginnen. Het is het eigenlijk allemaal niet waard, maar uiteraard dacht ik op dat moment niet aan stoppen maar juist aan een nieuw pakje. Hoe gek en gestoord kunnen we zijn op deze wereld.
Zo snel als ik kon fietste ik naar de verlossing die nog een heel eind van me af leek te zijn. De nicotine begon als het ware in mijn gedachte al keihard te schreeuwen en ik verlangde naar de volgende peuk. Onbewust vloog de tijd langzaam aan mij voorbij en had ik geen besef van ruimte meer. Ik had maar een doel voor ogen. Wreed werd ik weer naar de werkelijkheid getrokken omdat ik ineens door kreeg dat er iets met de fiets aan de hand was. Een lekke band. Al zuchtend en kokend in mijn hoofd van woede stond ik naast mijn fiets en keek verbouwereerd  naar de achterband die op zijn sokken stond. “Ook dat nog!” Ondanks dat de zon inmiddels hoog in de hemel stond was het nacht bij mij. “De wet van Murphy?” dacht ik nog “Wat staat er nog meer te wachten vandaag?” Met het stuur in mijn handen liep ik verder, ik was nog niet eens op de helft. De fiets hier laten staan was geen optie, de kans dat hij weg was als ik terug kwam was reëel aanwezig. Voor de zoveelste keer voelde ik alle jaszakken na, maar natuurlijk was er helemaal niets te vinden, nog niet een kruimeltje.
Ik was behoorlijk opgelucht toen ik, drie kwartier nadat ik van thuis vertrokken was, het station in de verte zag liggen. “Nog eventjes,” mompelde ik. “Nog heel eventjes en dan mag ik weer vrolijk naar huis lopen,” zei ik vervolgens sarcastisch tegen mezelf. Niet veel later stalde ik snel mijn fiets tegen een laag muurtje bij het station en rende de hal binnen. Het was er druk. Waarschijnlijk was er net een trein aangekomen en zeker tien reizigers stonden ongeduldig voor mij te wachten, alsof ze nog een trein moesten halen. Iedereen bij de balie stond te twijfelen en niemand wist meteen wat ze wilde bestellen. Op het moment dat ze eindelijk aan de beurt waren keken ze met alle tijd van de wereld uitgebreid rond. Je snapt dat toch niet. Als je staat te wachten dan kun je toch ook al kijken wat je wilt. De een vroeg koffie, de ander een amandelkoek, die weer een kroket. Laat ik het niet over het afrekenen hebben want dat ging echt niet veel sneller.  Eindelijk was ik aan de beurt. Tot overmaat van ramp werd ik door een jonge dame geholpen die daar volgens mij haar eerste werkdag had. “Ze zijn volgens mij op meneer!” zei ze “wilt u een ander merk?” Ze keek me overdreven vriendelijke en lachend aan. Zat ze me hier uit te lachen waar iedereen bij staat? Hield ze me voor de gek? Ik zag mijn favoriet merk namelijk gewoon in het schap liggen en met het afrekenen ging het al helemaal fout. Ik kreeg vijfenzeventig euro cent te weinig en ook dat duurde weer enige minuten om dat recht te zetten. Ze hoefde nog niet eens uit haar hoofd te rekenen. Het bedrag wat ze terug moest geven stond gewoon op het display van de kassa. Uiteindelijk, na veel vertraging, kwam ik weer buiten en trok ik als een wilde de plastic verpakking eraf – hoezo verslaafd – en griste snel een sigaret eruit en stak deze – bij wijze van spreken – met trillende handen tussen mijn lippen. Mijn hand greep in mijn jaszak voor een aansteker. Die had ik natuurlijk thuis op de koelkast laten liggen, waar anders. Tien minuten later was ik een zwaar gefrustreerde bezitter van sigaretten en een aansteker die de rest van zijn leven iedere nacht wakker wordt omdat die over enge kassières droomt.
Met een redelijk goed gevoel stak ik, ongeveer anderhalf uur later nadat ik wakker was geworden, mijn tweede sigaret op. Enigszins toch wel opgelucht maakte ik aanstalten om rustig naar huis te lopen. Ik had nu geen haast meer want ik was vrij vandaag.  Een nieuw bakje troost en dan het ritueel van de zondag morgen, al was het inmiddels middag geworden, voort te zetten. “Hee.” hoorde ik ineens achter me roepen, maar ik gaf er geen aandacht aan, er werd beslist iemand anders geroepen. “Zeg je niets meer tegen je vrienden,” klonk het nu, maar dan veel dichterbij en harder. Ik draaide me om “Peter!” Een flinke vent en een paar jaar ouder dan mij. Als ik mij al zorgen maakte over mijn grijze haren dan moest hij bijna aan kaalscheren gaan denken. In gedachten probeerde ik mij voor te stellen hoe dat er bij hem uit zou zien. Ik glimlachte. “Wat doe jij zo vroeg op de dag hier bij het station?” vroeg hij verbaast en keek op zijn horloge? Hij was de nacht ervoor medeverantwoordelijk dat het zo laat was geworden.  “Zo vroeg? Het is middag man!” Hij knikte. “Voor jou is dit vroeg, normaal sta je nu pas op!” Daar kon ik helaas niets tegenin brengen, hij had gelijk. “Ik had nog maar een sigaret, dus ik moest wel.” Ik lachte als een boer met kiespijn en vertelde hem in het kort het relaas van deze zeer motiverende ochtend en middag. “Dan heb je nog flink doorgerookt,” zei hij lachend en had een behoorlijke smerige grijns op zijn gezicht. “Hoezo,” antwoorde ik. “Nou, toen wij gisteravond vertrokken heb je nog twee pakjes sigaretten uit de automaat gehaald want je had nog maar vier sigaretten in je pakje zitten.” Ik keek hem verbaast aan en probeerde diep in mijn geheugen te duiken. “Je liegt!” Peter schoot in de lach “Jij was gisteravond echt ver heen. Je hebt nog zitten uit te rekenen of je nieuwe moest kopen. Je had er twee onderweg nodig en eentje voordat je naar bed ging. Dat zou betekenen dat je, als je wakker zou worden, nog maar een sigaret over zou houden en dat was natuurlijk een ramp.” Ik ben nog voor de zekerheid met je mee gefietst. Jou kennende zou alleen naar huis fietsen in die toestand volledig verkeerd kunnen uitpakken.” Hij bracht met deze opmerking mij even een half jaar terug in de tijd. Inderdaad, mij kennende. Ik dacht die ene keer ook thuis te zijn, lekker in mijn warm bedje. Achteraf bleek ik bijna thuis te zijn. Tegen een uur of zeven in de ochtend werd ik door twee politie agenten, vriendelijk doch zeer dringend en niet geheel zachtaardig, wakker gemaakt. Ik was zo’n twintig meter voor de deur in de verwilderde struiken diep in slaap gevallen. Ik was nog niet eens wakker geworden van de motregen. Gelukkig zagen deze agenten er de humor wel van in. Om de een of andere manier was ik plotseling vrij nuchter. Daags erna was ik uiteraard het gesprek van de maand –  en alle maanden daarna als we gingen stappen. Ik had gewoon mijn bek tegen mijn vrienden moeten houden, maar ja, dat ben ik. “Toen we bij jou binnen kwamen,” vervolgde Peter zijn verhaal “heb je die twee pakjes op tafel gelegd.” Ik zuchtte diep. “We hebben nog samen een pilsje gedronken en toen ben ik gegaan.” Ik sloeg mijn hand voor mijn ogen. Ik had gisteren blijkbaar geen blunder begaan, maar deze ochtend. Wat had ik mezelf toch een hoop ellende kunnen besparen. “Kom,” zei Peter “we gaan een koffie drinken, zo te zien ben je er wel aan toe!” Ik knikte, ik had tenslotte maar een paar slokken gehad van het inmiddels koud geworden bakje leut – die waarschijnlijk dicht in de buurt van die twee pakjes sigaretten staat.