Robert Slijfer ...van alles en nog wat...

Korte Verhalen

Herman

Nauwlettend volgt hij vanaf zijn barkruk werkelijk iedere beweging die Astrid voor hem, aan de andere kant van de bar, maakt terwijl ze druk in de weer is met glazen spoelen, het tappen van bier en alle andere bezigheden die je in een café maar kunt verwachten of verzinnen. In zijn ogen kan ze werkelijk niets, maar dan ook echt helemaal niets, verkeerds doen of zeggen. Tot de dag van vandaag is zij zijn onbeantwoorde liefde en in zijn gedachten en dromen is deze liefde al duizenden keren door haar beantwoord.


Dit alles begon ongeveer een jaar geleden toen hij bij toeval hier voor het eerst binnen kwam. Het was een te warme en plakkerige maandag avond midden in de zomer. Er heerste op dat moment al enkele dagen een hittegolf, verfrissing zoeken was onmogelijk daar het overal even benauwd en warm was, zelfs ‘s nachts bleven de temperaturen extreem hoog. Thuis voor de televisie op de bank zitten of hangen was dus absoluut geen optie, tenzij je een ligbad had die je kon vullen met ijsklontjes.


Zijn vaste kroeg was, zoals altijd op maandag, gesloten. Hij wandelde door de binnenstad en was op zoek naar een café waarvan hij het gevoel had dat het er gezellig zou kunnen zijn. Het volle terras, waar hard gelachen en gepraat werd, stond hem hier wel aan en liep naar binnen om een biertje te bestellen. Zodra hij Astrid achter de bar zag staan was hij meteen verkocht. Die eerste glimlach die hij van haar zag, is hij werkelijk nooit meer vergeten. Haar fel blauwe fonkelende ogen en lange blonde haren, die ze meestal in een staart draagt, fascineerde hem eigenlijk wel het meeste. Ondanks de hitte is hij de hele avond binnen aan de bar blijven zitten en kon zijn ogen maar niet van haar afhouden, terwijl de overige gasten zich gezellig gesetteld hadden buiten op het terras. Vanaf die ene avond komt hij minimaal één keer in de week hier en als hij met vrienden gaat stappen, wat ongeveer twee keer per maand voorkomt, ontwijkt hij juist deze kroeg omdat hij niet wilt dat zijn vrienden zien dat hij volledig dicht klapt als hij Astrid ziet. Het heeft hem regelmatig behoorlijk wat moeite gekost om zijn vrienden te weerhouden om hier niet naar binnen te gaan en tot op de dag van vandaag is hem dat eigenlijk altijd wel gelukt.
Ondanks dat hij hier al ruim een uur zit heeft hij tot nu toe nog steeds niets tegen haar durven zeggen, behalve dan een “goede avond” toen hij binnen kwam, maar dat was meer algemeen bedoeld dan tegen haar persoonlijk. Op de een of andere manier voelt hij zich aangetrokken tot haar maar kan hij de moed niet vinden om wat tegen haar te zeggen, zij daar in tegen is spraakzamer en het lijkt wel of ze met de andere vijf gasten tegelijkertijd, over verschillende onderwerpen, aan het praten is. Hij neemt het laatste slok bier en zet het lege glas voor zich neer, hij steekt zijn rechterhand omhoog en gebaard haar voorzichtig dat hij een nieuw biertje wilt, zij knikt naar hem en tapt met uiterste precisie een biertje met de perfecte kraag. “Alsjeblief Herman,” en ze zet het glas op een viltje voor hem neer, hij kijkt haar aan en knikt. “Een leuke dag gehad vandaag Herman?” vraagt ze hem glimlachend. “Mwa!” is zijn kort antwoord. “Hoezo mwa! Niet zo goed gegaan?”
“Nee!”
“Wat was er dan?”
“Druk.” zegt hij zacht. “Ik versta je niet goed” zegt ze en leunt verder over de wat vale eikenhouten bar heen om hem beter te kunnen verstaan, ze kijkt hem nu op een afstand van ongeveer vijftien centimeter recht in de ogen aan, voordat Herman het kan herhalen wordt ze geroepen door iemand anders aan de bar. Herman voelt de adrenaline door zijn bloed stromen en krijgt een raar gevoel in zijn onderbuik. Heel even snel kijkt Astrid vanuit de tap naar Herman, die meteen zijn hoofd afwent en zich betrapt voelt omdat hij naar haar zat te kijken. Ze moet er lichtelijk om lachen. Ze kan zich zelfs nog herinneren dat zij hem voor eerst zag binnen komen. Een aparte verschijning maar ze vond hem eigenlijk meteen al leuk en in haar ogen behoorlijk ijdel maar helaas te verlegen naar de dames toe, met de nadruk op te. In al die tijd heeft zij diverse pogingen ondernomen om beter contact met hem te krijgen, maar het wil iedere keer niet zo vlotten. De langste gesprekken hebben maximaal een minuut geduurd en dan moest zij letterlijk alle woorden uit zijn mond trekken. Antwoorden van een of drie woorden waren normaal. Het was haar wel al opgevallen dat hij altijd alleen komt, nooit met andere gasten spreekt en alleen maar bij haar het bier wilt bestellen. De laatste tijd heeft ze met haar collega’s afgesproken dat, als ze met z’n tweeën werken en Herman aan de bar zit, dat zij dan bij hem in de buurt staat. Die ene keer dat hij zeker drie kwartier heeft gewacht op een biertje vond ze achteraf wel zielig, hij weigert gewoon bij iemand anders te bestellen. Haar collega’s verklaren haar in alle opzichten knettergek, maar zij vind hem wel leuk. “Wat zie je nu eigenlijk in hem?” is een vraag die ze vele malen uitlegde met “Ik weet het niet. Gevoel!”
Vanuit een ooghoek ziet ze dat hij het glas weer leeg heeft. “Herman nog eentje?” vraagt ze hem vriendelijk en ze knipoogt zelfs. Het brengt hem blijkbaar een beetje van slag. Hij knikt ja en kijkt vervolgens naar beneden, hij weet zich geen houding te geven. Hij kijkt op zijn horloge “nog anderhalf uur!” zegt hij, zonder te merken dat Astrid bij hem is komen staan. “Yep,” antwoord ze “Dan ga ik jullie er allemaal uit kegelen, ik heb de helft al klaar met poetsen dus ik kan ook snel naar huis!” Herman lacht.
“Vertel nu eens. Waarom was jouw dag nu mwa?” Met haar linker elleboog steunt ze op de bar en haar kin heeft ze in haar handpalm gelegd en haar rechterarm ligt op de bar waarbij ze de rechterhand om de elleboog heeft gevouwen. Ze kijkt hem lief aan, in Hermans ogen iets te lief.
“Eh… ” er volgt een lange stilte. Ondertussen staan twee oudere mannen op. Ze hebben voor vanavond genoeg gehad en nemen afscheid. “Mannen tot morgen,” roept ze hun nog na en zwaait ze uit. Vervolgens kijkt ze Herman weer aan die nog steeds naar passende woorden aan het zoeken is. “Niet zo verlegen zijn jij,” zegt ze zo zacht dat alleen hij dit hoort. “We kennen elkaar al zo lang dat dit niet meer nodig is.” Hij laat een klein zenuwachtig lachje zien, knippert met zijn ogen en draait vervolgens zijn gezicht van haar af als ze iets te lang oogcontact hebben. Herman is dichtgeslagen en krijgt geen normaal woord meer uit zijn mond. Allebei zijn handen houden elkaar vast en liggen op zijn bovenbenen zacht te trillen.
Het laatste anderhalf uur verloopt rustig. Herman staart de hele tijd voor zich uit en het spookt behoorlijk in zijn gedachten, het is alsof hij in een grote achtbaan zit, waarbij hij in veel te hoge snelheid afwisselend tussen dromen en werkelijkheid wordt geslingerd, er lijkt maar geen einde aan te komen. Het wordt steeds moeilijker voor hem om alles te bevatten. Blind van liefde, maar hij ziet geen oplossing om haar voor zich te winnen. Astrid is verder gegaan met poetsen en af en toe kijkt ze stiekem de kant van Herman uit. Hij merkt hier niets van en kijkt alleen maar voor zich uit, af en toe gaat ze expres voor hem staan, maar het lijkt wel of hij dat niet meer merkt. Van binnen vreet het bij hem. Waarom klapt hij steeds weer dicht als hij haar ziet.
Het is vijf minuten voor twee. Hij pakt vijftig euro uit de binnenzak van zijn jas en houd het met gestrekte arm richting Astrid vast. Hij kan zelfs haar naam niet meer roepen. “Dank je wel,” zegt ze vriendelijk als hij haar nog twee euro fooi geeft. “Tot volgende keer Herman,” roept ze hem nog na als hij twee minuten later naar buiten loopt, hij gaf geen antwoord terug. Vijf meter van hem af staat zijn gammele oude fiets tegen de muur, de standaard is al lang geleden afgebroken. Twintig minuten. Twintig minuten is hij onderweg en dan is hij thuis.
Het is een mooie nazomer, al was de zomer zelf helemaal niets, overdag is het mooi weer, maar ‘s avonds begint het met de nacht frisser te worden. Herman is diep in gedachten verzonken en ziet alleen maar de beeltenis van Astrid voor zich, die als het ware op zijn netvlies is gebrand. Het lijkt wel alsof hij op de automatische piloot aan het fietsen is, alles wat er om hem heen is of om hem heen gebeurt ontgaat hem volledig. Het einde van het fietspad nadert en hij wilt rechtsaf slaan, op dat moment merkt hij dat het achterwiel de grip van de weg kwijt raakt en in een slip terecht komt. Met fiets en al valt hij en komt zeer ongemakkelijk op het gras terecht. Hij wilt de fiets van hem af duwen en opstaan, maar op de een of andere manier weigert zijn lichaam dienst te doen. Dan wordt het beeld wazig, de beeltenis van Astrid vervaagt steeds sneller en dan wordt het zwart.


Het voelt voor hem alsof er maar een paar minuten zijn verstreken sinds dat hij gevallen is. Met gesloten ogen voelt hij aan zijn hoofd. Een hevige kloppende pijn, alsof ze met een moker om de paar minuten tegen zijn schedel slaan en dan iedere keer op een andere plek. Vervolgens wilt hij de fiets van zich afduwen maar in plaats van iets koud, hard en zwaar voelt het licht en zacht aan wat hij vastpakt, daarnaast vind hij het vreemd dat hij op een zachte warme ondergrond ligt in plaats van het koude en natte gras. Iets in hem zegt dat er iets niet klopt, als hij voorzichtig, niet wetend wat er op hem afkomt, zijn ogen opent ziet hij een hagelwit plafond.  “Ik lig in het ziekenhuis,” schiet er meteen door zijn hoofd. Voorzichtig kijkt hij naar links en verwacht rare apparaten te zien maar in plaats van dat ziet hij een bonte mengeling van kleuren en zit hij in één seconde rechtop. “Een vreemde bank!” mompelt hij verbaast. “Wil jij mij nooit meer zo laten schrikken,” hoort hij een bekende stem zeggen die zich in dezelfde ruimte bevind. Instinctief en verschrikt kijkt hij de kant uit waar de stem vanaf kwam en ziet tot zijn nog grotere verbazing Astrid rustig zijn kant op komen. Zonder verder een woord te zeggen gaat ze op het randje, naast hem, op de bank zitten, hij schuift hierbij een beetje op. “Ga weer rustig liggen.” Ze duwt met beide handen zacht tegen zijn schouders en hij gaat weer, zonder protest, languit op de bank liggen. “Je hebt gisteravond volgens mij een behoorlijke smak gemaakt.” Astrid trekt de deken weer recht die ze over hem heen had gelegd. “Wat is er gebeurt?” zegt hij zachtjes en kijkt haar aan zonder dat hij ook maar een verlegen trekje toont. “Wat weet je nog wel te herinneren,” vraagt ze. Het blijft even stil en hij probeert zich te concentreren. “Het laatste wat ik weet…” hij fronst even met zijn wenkbrauwen en denkt na. “Het laatste wat ik weet is dat jij mij nog vroeg om een biertje.” Ze kijkt hem verbaast aan. “Niet meer? Is dat echt alles wat je nog van gisteren weet te herinneren?” Hij knikt “volgens mij ben ik ook gevallen met de fiets.”
“Ja, en niet zo zuinig ook.” ze kijkt hem zorgelijk aan. “Je bent zelfs nog per ambulance naar het ziekenhuis gegaan!” voegt ze er nog snel aan toe. “Maar,” stammelde hij “wat is er dan gebeurt tussen het moment dat je nog vroeg of ik een biertje wou en dat ik gevallen ben.” Astrid denkt even na voordat ze begint. “Dat biertje heb je gekregen, vervolgens heb je anderhalf uur voor je uit zitten staren en om twee uur ben je naar buiten gegaan, vervolgens heb ik nog een klein kwartiertje nodig gehad. Daarna ben ik ook naar huis gegaan. Bij de kerk zag ik een fiets in het gras liggen en toen ik er voorbij liep zag ik dat jij er onder lag. Je was buiten bewustzijn, je hebt waarschijnlijk een flinke smak gemaakt, ik heb meteen de ambulance voor jou gebeld. Bijna direct erna ben je volgens mij weer bijgekomen.” Op dat moment zwijgt ze even. Ze twijfelt of ze hem nu al alles moet vertellen. Op het moment dat hij bij kwam in het gras tot en met het moment dat hij bij haar op de bank in slaap viel heeft hij onafgebroken alleen maar haar naam genoemd. Ze besluit het niet te zeggen, in ieder geval nu nog niet, al is het maar om te voorkomen dat hij wederom dicht klapt. “Toen ben je voor de zekerheid met de ambulance meegegaan.” Hij kijkt haar vreemd en nadenkend aan. “Hoe ben ik dan hier bij jou op de bank terecht gekomen?” Ze lacht. “Ik ben ook meegegaan met de ambulance. Het rare is dat jij de hele tijd bij kennis bent gebleven en dat je nu niets meer daarvan weet te herinneren.” Wazig schud hij ‘nee’ met zijn hoofd. “De artsen vonden dat je gewoon naar huis kon en dat je waarschijnlijk lichte hersenschudding had. Ik kreeg het advies mee om jou ieder uur wakker te maken. Aangezien ik geen familie van jou ken en het allemaal niet nog moeilijker wilde maken, heb ik een taxi geregeld en ons hier bij mij laten afzetten. Je sliep overigens binnen tien minuten. Ik ben overigens wel blij dat ik vandaag een extra dag heb vrij genomen want ik heb dus niet geslapen!”
“Heb je me echt ieder uur wakker gemaakt?” Ze kijkt hem aan en knikt ja. “Zelfs dat weet ik niet meer te herinneren. Vaag allemaal.” Er valt een diepe stilte, ze kijken elkaar even aan voordat de gedachten bij hem verder afdwalen.
“O ja,” onderbreekt ze de stilte “jouw fiets staat bij mij veilig beneden in de schuur opgeborgen. Die heb ik vannacht ook nog opgehaald, ik kon toch al niet meer de slaap vatten”
“Jij bent helemaal gek,” mompelt hij, nog steeds in gedachten verzonken. “Waarom,” zegt ze verdedigend. “Het is hier om de hoek gebeurt, nog geen twintig meter hier vandaan en, zoals ik al zei, ik kon toch niet slapen.”
“En nu?” mompelt hij, terwijl hij haar aankijkt. Ze glimlacht “blijf jij nog maar even liggen hier, dat is beter voor jou.” Hij kijkt haar aan “ik wil jou niet tot last zijn.”
“Je bent geen last en aangezien ik vandaag toch geen plannen heb kun je gewoon hier blijven. Is er in ieder geval nog controle over jou!” Herman zegt niets en probeert voor zich zelf alles op een rijtje te krijgen. Opeens beseft hij dat hij bij Astrid thuis is, bij haar op de bank heeft geslapen, dat hij met haar praat en ze voor hem gezorgd heeft, net zoals in al zijn dromen over haar. Het vreemde van alles is wel dat hij nu niet dichtklapt of verlegen is geworden. Is nu de spanning hoger of is het normaal hoger of verwacht hij normaal meer dan nu? Hij kan het niet bevatten. Door een voorval is hij bij haar terecht gekomen, het toeval, in zoverre dat toeval echt bestaat, zorgde ervoor dat hij bij haar thuis is. “Biertje krijg je nu niet, je moet het doen met een kopje koffie” zegt ze lachend als ze met twee kopjes in haar handen vanuit de keuken aan komt lopen. “Weet je,” zegt ze met een glimlach “dit hadden we eigenlijk al veel eerder moeten doen, alleen volgende keer iets minder dramatischer dan vannacht,” ze knipoogt naar hem en neemt vervolgens en slokje van de hete en verse koffie. Herman volgt haar voorbeeld en legt vervolgens een arm over haar benen heen.